Hendrik Marsman over het Berlijnse nachtleven

De stad een half ontverfde vrouw (1923)

  

Voor de beeldvorming rond Berlijn tijdens de jaren twintig is het gelijknamige gedicht uit de bundel  Verzen (1923) van Hendrik Marsman van essentiële betekenis. Het gaat terug op twee bezoeken die de dichter en prozaschrijver respectievelijk in juli-augustus 1921 en augustus-september 1922 aan de Duitse hoofdstad bracht.

Marsman, nog geen vijfentwintig jaar oud, was diep onder de indruk van het snelle leven in de metropool, de lange uitgaansnachten en het enorme culturele aanbod. Naar aanleiding van zijn tweede verblijf schrijft hij in een brief gedateerd op 22 september 1922 aan zijn vriend, de auteur Roel Houwink: ‘Wilder en voller nog zijn deze nachten dan toen. [ juli-augustus1921] Ik slaap per nacht 3 uur. Verder: boeken, cafés, straten, auto’s, u-Bahn, Marc, Heckel, Feininger. – Wijn. (E.T.A. Hoffmann!) Vrouwen. […] Deze week […] is de heerlijkste van heel dit leven, tot nu.’

 

Bundesarchiv Bild 146-1988-035-14, Varietévorführung im Haus Vaterland.jpg

 

Varieté-voorstelling in Haus Vaterland, Bundesarchiv / Wikimedia Commons

 

 

 

 

 

Met de schilders Franz Marc, Erich Heckel en Lyonel Feininger noemt Marsman drie coryfeeën van het modernisme, van wie in het bijzonder eerstgenoemde voor hem van belang is geweest. Samen met zijn vriend, de anarchist en toenmalige Berlijnse geschiedenisstudent Arthur Lehning – zo bericht deze in 1954 – bezocht hij in de zomer van 1922 de grote Marc-tentoonstelling in het Kronprinzenpalais. Daar was eveneens het schilderij Der Turm der blauen Pferde te zien, dat vier onstuimige paarden in blauw voor een gele hemel voorstelt.

 

Der Turm der blauen Pferde (Franz Marc)

 

 

Franz Marc, Der Turm der blauen Pferde, Wikimedia Commons

 

 

 

 

 

 

In het gedicht ‘Berlijn’ wordt aan dit doek van Marc gerefeerd en Marsman associeert de vitaliteit die het uitstraalt met het levensgevoel dat voor hem de stad typeert. Hij vergelijkt Berlijn met een vrouw wier make-up na een kennelijk lange nacht is uitgelopen. Van vermoeidheid of resignatie is bij deze vrouw evenwel geen sprake, want net als de paarden van Marc bruist zij van levenslust.

Zo staat Berlijn bij Marsman aan de ene kant voor een zeker uiterlijk en misschien ook wel moreel verval, maar aan de andere kant neemt hij in de stad een ongebreidelde energie waar. Dit tweeledige beeld heeft het imago van de stad in het Nederlandse taalgebied lang gedomineerd.

 

 

Berlijn

De morgenlucht is een bezoedeld kleed
een bladzij met een ezelsoor
een vlek

de stad
een half ontverfde vrouw

maar schokkend steigert zij de hemel in
als een blauw paard van Marc in ’t luchtgareel

Berlijn

de zon is geel