Herman Heijermans over het Berlijnse daklozenasiel

Makkers van het verval (1908)

 

Het ziekenhuis van de wijk Prenzlauer Berg is gevestigd in een imposant monument uit het voorlaatste decennium van de negentiende eeuw. Het heeft een representatieve baksteengevel over vier verdiepingen en drukt met een bijna honderd meter breed front degelijkheid uit: architect Hermann Blankenstein bouwde voor de eeuwigheid. Als je voor het gebouw in de Fröbelstraße staat, is het moeilijk voorstelbaar dat het eens als onderkomen voor daklozen werd neergezet.

Het tehuis, dat in de loop der jaren met een groot aantal barakken in de achtertuinen werd uitgebreid, bood onderdak aan maar liefst vijfduizend mensen. Ze mochten vijf dagen blijven en sliepen in hun dagelijkse plunje op eenvoudige britsen, die zonder tussenruimte naast elkaar waren opgesteld. Maar iedereen kwam graag, want je kreeg een warme maaltijd, er was stromend water er je kon je kleren laten desinfecteren. Het ‘Obdach’ stond bekend onder de naam Die Palme, naar een – zo wil de overlevering – miezerige kamerplant in de centrale ontvangsthal.

 Ook Herman Heijermans verbaast zich over de dimensies van het slaaphuis. Gefrustreerd door het gebrek aan waardering dat zijn werk in Nederland ten deel viel, had de toneel- en prozaschrijver Berlijn tot zijn woonplaats gemaakt. Van 1907 tot 1912 is hij in de stad aan de Spree gevestigd. Het maatschappelijke engagement dat Heijermans‘ bekendste drama Op hoop van zegen (‚De vis wordt duur betaald!‘) typeert, kenmerkt ook zijn reportage over het daklozenasiel. De schets verscheen aanvankelijk in het Berliner Tageblatt en werd later voor een Nederlandstalig publiek toegankelijk gemaakt in de bundel Een wereldstad. Berlijnse impressies en schetsen uit 1908.

Aan de Fröbelstraße gaat Heijermans undercover. Hij doet zich voor als dakloze om in eigen persoon te ervaren hoe de paria’s van het Keizerrijk het hoofd boven water proberen te houden. Het is een vorm van participerende journalistiek, waarbij de schrijver beklemtoont dat het niet om zijn eigen gevoelens, maar om de zaak gaat: ‚De auteur die zich „vermomt“ om toestanden van dichtbij waar te nemen blijve bijzaak; niet zijn gewichtige lotgevalletjes, noch zijn quasi-ellende mag het doel van een publicatie zijn – hoofdzaak is het onderwerp.‘ In impressionistische, sfeerscheppende bewoordingen geeft Heijermans een indringend beeld van een bestaan aan de zelfkant van het nog altijd boomende Berlijn.

Het daklozentehuis Die Palme was weliswaar het grootste, maar zeker niet het enige in zijn soort. Dat onderstreept maar weer hoe enorm de sociale problemen in de vroege twintigste eeuw waren. Pas tijdens de jaren dertig verloor het gebouw zijn oorspronkelijke functie, en wel omdat de nationaalsocialisten daklozen en andere ‚asocialen‘ stelselmatig naar de concentratiekampen deporteerden. In 1940 greep daarom de directie van het gemeentelijke ziekenhuis haar kans. Vanaf het tweede oorlogsjaar liggen er nu operatiepatiënten en gewonde soldaten in de slaapzalen, waar de kale britsen plaats hebben gemaakt voor verrijdbare en in hoogte verstelbare verpleegbedden.

  

Een nacht in het ‘Städtische Obdach’

 

‘Hier is ’t,’ zei de wagenvoerder, die beloofd had te waarschuwen. We stapten uit. Op de hoek der Fröbelstrasse stond ’n vierkante lantaarn:

Städtisches Obdach

Er liep ’n smoordronken mannetje voor ons te waggelen. ‚Die gaat ’r ook naar toe,‘ zeiden we tegelijk. In de donkere straat met de vele kleine, rode vensters van andere stedelijke gestichten, was ’t gehakkel der twee onvaste voeten ’t enig geluid, de enige ontrusting, terwijl ’t nog niet half negen geslagen kon hebben. Zwijgend stapten we verder, kwamen ’n tweede dronken kerel tegen, die van de stoepranden naar de muren zwaaide. ‘Die zal geweigerd worden,’ meende mijn kameraad.

‘Natuurlijk,’ zei ’k – aan toevluchtsoorden denkend, die ’k vroeger had gezien.

En we waren ’r. Door ’n brede poort, ’n binnenplaats over, kwamen we voor de gesloten glazen deur van de ‘Mannenafdeling’. ’n Kleine bochel, met listige oogjes, en ’n vervallen oud mannetje met vergroeide bakkebaarden, stonden ongeduldig de ruiten te bekloppen.

‘Is hier ’t Obdach?’, vroeg ’k, om wat te zeggen. Ze antwoordden niet eens, zo zonderling als de vraag klonk.

‘Doen ze niet open?’, probeerde ’k opnieuw.

‘Dat merk je toch,’ snauwde de ouwe.

‘Misschien zal je an de deurknop moeten drááien,’ zei ’k, de hand aan de knop.

‘Doe niet zo bezopen-eigenwijs! Dat weet ik beter!’, viel de ouwe driftig uit.

De dronken man van buiten, was ook in het portaal geschommeld, hield zich stram tegen de muur, en ’n magere, baardige bedelaar stapte de binnenplaats over. Grommend, pruttelend keken ze door de ruiten de verlichte gang in.

‘Kom jij werk zoeken?’, vroeg ’t buitje.

‘Nee, slapen.’

‘Zo…’

‘Mot je papieren laten kijken?’, vroegen wij op onze beurt, blij dat we ons konden oriënteren. Nog voor-ie antwoord gaf, opende ’n opzichter de deuren. En met de anderen mee, liepen we naar ’t ‘Versammlungslokal’.

De gang was aangenaam warm, maar in het ‘Versammlungslokal’ sloeg de bedorven, erger dan rottende lucht je tegen. De verwarmingsbuizen, achter de zitbanken, heet-gestookt, doorgloeiden de betrekkelijk kleine zaal, die door één enkel gloeikousje zwakjes belicht werd.

Zó bij je binnenkomen, dacht je, als in verweer, ‘hier hou ’k ’t niet uit.’ Er waren over de honderd wachtenden, kerels die op de banken zaten te slapen, ellende-lichamen, sullig voorovergehurkt, mannen die ’n homp brood bekauwden, wezenloos-starende dronkaards. De grond was met papieren en rommel besmeurd – overal waren natte gaten, waar ze gespuwd hadden. Dat met de lichamen samen, gaf ’n kwellende wee-makende stank, die je niet trachtte in te slikken, die je niet in je longen, je maag wou – en dan spuwde je dadelijk zelf – tot je ’r an begon te wennen…

 

Bundesarchiv Bild 102-10839, Berlin, Schlafsaal im Obdachlosen-Asyl.jpg
Daklozenasiel (1924), Bundesarchiv / Wikimedia Commons

 

 

 

 

 

 

De zaal was voller geworden. Elke minuut ontsloot de oppasser de deur, liet nieuw-aangekomenen binnen, ouwe bezoekers die kennissen groetten, ’n plaatsje op de banken zochten. Er zat van alles. Wat heeft zo’n stad ’n verworpenen, ’n reddeloos-naar-onder-gezakten, ’n gedegenereerden, haat ’t in je op, als je van lichaam naar lichaam, van gelaat naar gelaat kijkt. Opgedrongen bij de gesloten deur, stonden jongere kerels, vrij goed gekleed, werklozen – zonder vast thuis.

Maar op de banken, dicht tegen de heetwaterbuizen an, schouder aan schouder, knie aan knie, rustten de makkers-van-het-verval, mensen met verweerde, grauwe gezichten, vervuilde baarden, belopen ogen – sommigen met wonden, de meesten zat en lodderig van drank – allen in de verstikkende, walmende benauwenis der zaal – met ’n stompzinnig aanvaarden van wat niet meer af te schudden was.

Een, van de bank gesmakt, lag op de bekwijlde vloer te ronken, ’t hoofd in de greep van z’n armen. Een, de ellebogen op de knieën, zwaar voorover geknot, de mond kwaadaardig verknepen, staarde met de angstige wildheid van iemand zonder houvast – in tergend visioen… Een brokte suffig ’n snee brood, bij elken hap ’n slok jenever uit ’n flesje gulzigend. Een, ’t verwilderd hoofd achterover gekwakt, snurkte met wijd-open strot. Een, vaalbleek, gezwollen hoofd van ’n zieke of ’n pas uit de gevangenis ontslagene, belurkte ’n stompje sigaar dat z’n lippen bruin had gesausd. Een, forse kerel met blonde snor, keek weg-van-alles voor zich uit – z’n oogwit was bloedbelopen als bij ’n opgejaagd dier.

Zo was ’t kop naast kop, telkens weer en telkens anders, ’n uitstalling van ellende, dofheid, ellende, bruutheid, ellende, misdaad. De lente met ’r zingende bloemknoppen, ’r voorjaarssidderingen – en dat, dát – de onderste, afgestorven laag van ’n weelde-stad…

Tegen de drinkgelegenheid, met ’r aan kettingen vastliggende kroezen, leunde ’n breedgeschouderde mijnwerker met de mijnwerkerspet diep in de nors-zwarte ogen. Z’n wenkbrauwen waren met z’n stugge baard vergroeid. Z’n pupillen hadden ’t onbeweeglijk-glitterende, dat zielszieken en dronkaards plegen te hebben.

‚Ben je zonder werk?’, vroeg ’k, in behoefte ’n praatje te maken.

Hij keek de verlopen smid nijdig aan, haalde nijdiger de schouders op, stompte met iets zwaars op de grond. Hij had een houten been. ’m Voorzichtig polsend, hoorde je van ’n ongeluk voor jaren, van z’n gewurm om aan eten te komen. Drong je aan, om meer te weten, dan werd-ie kwaadaardig:

Is schon genug! Wat mot jij van me…? Laat me met rust! Laat me met rust!’

En grommend ging-ie ’n end verder leunen.

De hitte in ’t lokaal, de gruwelijke, pijnigende stank, werden met de minuut ondragelijker. We waren er nu met minstens twee-, driehonderd. Om half negen hadden ze ons in de wachtkamer gelaten – naar raming waren we ’r ’n vol uur. Sommige daklozen liepen kreunend als wilde beesten in ’n kooi op en neer – anderen stonden in hoopjes, lieten mekaar uit flessen met gemene, bruine drank drinken, lachten, schreeuwden, zongen.

Dat zingen van melancholieke volkswijsjes, die je niet verstond, waarin enkele woorden drenserig opklonken… ‘goldene Blümmlein… himmlische Ruh’…’ – dat in die stikkende, rotte atmosfeer maakte je schuw en stil.

Dan was ’r ’n relletje. Een had ’n klap gemept – een trok z’n mes. Dat gaf ’n opstootje, ’n gedrang, ’n gesus, ’n gelach, ’n gepraat, waarbij alleen de mijnwerker met ’t ene been onbewogen bleef. Wat ’n gezelschap! ’r Liepen afgetakelde jonge mensen op-z’n-zomers gekleed, met wandelstok, sigaret en ergens bij ’n opkoper opgeduikelde smoking vol vlekken en rafels. Er gingen bandieten en schooiers, bedelaars en hongerlijers, die ’n brok brood aan ’n ander vroegen. En over die allen schimde ’t ene flauwe gloeikousje, de ruimte gelaten in schemer latend, de sigarenwalm traag zuigend.

Toen kwam ’r ’n paar maal ’n zwakke opluchting. Aan de deur werden degenen, die ‘ouder dan zestig’ waren, opgeroepen. Hoogstens zes, zeven, drongen door de bende wachtenden. Toen werd geroepen: ‘Over de vijftig’, en weer zakten ’n paar af.

Ongeduldig, dodelijk-afgemat door de stank en de warmte, klitten de meesten bij de deur. In de hoeken zongen ze nog, schor, droefgeestig. Maar de stemming was een wrokkende geworden. Ze wouen ’r uit. En ze hadden gelijk. Je longen deeën pijn, je borst voelde als bij ’n laaiend vuur zo dor. Om beurten dronken ze water, drentelden, drongen.

Een jonge man, met bleek gezicht, scheen ’t niet langer te kunnen harden. Bijna anderhalf uur hadden we in die waarlijke hel gewacht. De deur had-ie opengesmeten – de oppassers schoten toe – even werd ’t ’n geklauw van woeste stemmen.

‘Laat de deur open!’, riep de bleke, hees: ‘’r is hier geen lucht, geen lucht – we stikken!’

‘Nee!’, zei de opzichter nijdig: ‘je blijft tot ’k waarschuuw – en anders ’r hélemaal uit!’

Van achter drongen ze met geweld naar de gang. Toen namen de opzichters dreigende houdingen aan, en ’n ouwe politieagent kwam ’r op af. De voorsten weken. De deur dreunde toe, sloot ons opnieuw in de ruimte waar je ziek werd. ’n Poos was ’r ’n ingehouden verstoordheid – dan begonnen ze weer te zingen, hoorde je ’t telkens heenstervend ‘… himmlische Ruh’ … himmlische Ruh’ …”