ö
pp
Na de Frans-Duitse Oorlog van 1870-1871 werd op 18 januari 1871 in de Spiegelzaal te Versailles het Duitse keizerrijk uitgeroepen. Op die manier onstond voor het eerst in de geschiedenis op het Duitse grondgebied een nationale staat. Van deze nieuwe staat, die zich al snel tot een van de invloedrijkste in Europa zou ontwikkelen, werd Berlijn de hoofdstad. In de decennia direct na de Reichsgründung maakte de stad een stormachtige ontwikkeling door. Dat laat zich alleen al aflezen aan het inwoneraantal. Woonden rond 1870 ongeveer 600.000 mensen in Berlijn, in 1920, een halve eeuw later, was hun aantal verveelvoudigd tot maar liefst 3,9 miljoen. Met Parijs, London en New York was Berlijn daarmee uitgegroeid tot een van de grootste steden ter wereld. Veel van de nieuwe inwoners hadden onderdak gevonden in dichtbebouwde, grootschalig opgezette wijken, zoals de Arbeiterbezirke Kreuzberg en Prenzlauer Berg, of het meer burgerlijk georiënteerde Wilmersdorf en Schöneberg – stadswijken die de tand des tijds doorstaan hebben en tot vandaag de dag medebepalend zijn voor het aanzien van de Duitse regeringsstad.
Vanaf het moment dat Berlijn het bestuurlijk centrum van het Duitse keizerrijk geworden was, heeft de stad een grote aantrekkingskracht uitgeoefend op buitenlandse bezoekers. Tijdens de Gründerzeit, toen mede dankzij omvangrijke herstelbetalingen van Franse zijde een periode van economische bloei in Duitsland aangebroken was, reisden ook de nodige Nederlandse en Vlaamse auteurs naar de eerste stad van het nieuwe buurland. Zij waren gefascineerd door aan de ene kant de rijke geschiedenis van Berlijn, dat tot 1871 de hoofdstad van het machtige Pruisen geweest was, en aan de andere kant door het tempo waarmee de stad zich tot metropool, tot Großstadt ontwikkelde. Men stond versteld van de vele musea, de theaters en de opera’s, men verbaasde zich over de snel om zich heengrijpende industrialisatie, maar tevens bezag men geschokt de sociale problemen die verbonden leken met het leven in de grote stad.
De fascinatie voor Berlijn bleef in de twintigste eeuw ongebroken, al moet gezegd dat auteurs uit Nederland en Vlaanderen zich in de jaren tussen 1933 (de machtsovername door Hitler) en globaal genomen het jaar 1960 weinig in de stad hebben laten zien. Gezien de historische betekenis van Berlijn hoeft de algemene belangstelling geen verbazing te wekken. In de jongste Europese geschiedenis heeft zich een reeks ingrijpende politieke ontwikkelingen voltrokken die hun oorsprong in de Duitse hoofdstad hadden of waarvan de gevolgen zich speciaal ook in déze stad aftekenden: de Eerste Wereldoorlog, de opkomst van het nationaal-socialisme, de Tweede Wereldoorlog, de Holocaust, de Koude Oorlog, de bouw van de Berlijnse Muur, de zogenaamde Wende en de Duitse eenwording. Het gaat om internationale sleutelgebeurtenissen die de moderne wereld blijvend veranderd hebben. Wanneer dus Nederlandse en Vlaamse auteurs over Berlijn schrijven, doen ze dat allen in het besef dat deze stad niet ‘zomaar’ een metropool is, maar een machtscentrum van waaruit in het verleden beslissingen genomen zijn die tot op heden voor velen vérstrekkende consequenties hebben.
In 1983 bezocht de auteur Willem Jan Otten Berlijn. Hij heeft in de ‘Berlijnse kroniek’ over zijn verblijf verslag uitgebracht en daarin onder andere de vraag aan de orde gesteld in hoeverre iemand een stad waar hij nog niet eerder geweest is onbevooroordeeld kan waarnemen. Varen we werkelijk op het kompas van de eigen waarneming en zijn we altijd in staat tot persoonlijke observaties? Otten is op dit punt skeptisch en betoogt dat men een nieuwe omgeving eigenlijk altijd óók door de ogen van anderen ziet: ‘Natuurlijk bestaat hij niet, de onbevangen reiziger. Het nieuwe landschap, de nieuwe stad, zij zijn ondenkbaar. Altijd zijn er ogen die al gezien hebben waar zij naar kijken en die wij lenen om te kunnen zien.’ Dat er in deze woorden waarheid schuilt, kan iedereen bevestigen die wel eens met een reisgids in de hand een onbekende stad bezocht heeft. We ‘lenen’ zogezegd de ogen van de auteur van de gids die ons aan de hand neemt en laat zien wat ook hij zelf gezien heeft – een historische kerk, een mooi uitzicht of een pittoresk pleintje.
De 43 literaire teksten in deze bloemlezing, die geschreven werden in de jaren tussen 1871 en 2004, zijn alle ontstaan in het spanningsveld tussen aan de ene kant de eigen observatie en aan de andere kant het beeld dat op een bepaald moment van Berlijn bestond. Daarbij gaat het om een amalgaam van vanzelfsprekende associates en stereoptype voorstellingen die met de Duitse metropool in verband gebracht worden. Aan dit algemene beeld kan niemand zich onttrekken, want het is alomtegenwoordig in bijvoorbeeld de media, in de literatuur of in gesprekken over de stad. Ottens ‘onbevangen reiziger’ is zo gezien dus inderdaad een illusie en in feite kan men zelfs van twee ‘kenbronnen’ spreken. Aan de ene kant is er het werkelijke Berlijn, de stad waar je doorheen wandelt en die je kunt bekijken, kunt horen en kunt ruiken. Aan de andere kant zijn er de in meer of mindere mate clichématige beelden van Berlijn, voorstellingen die een bezoeker nog vóórdat hij de stad met eigen ogen heeft kunnen aanschouwen al met zich meedraagt.
De Berlijnteksten in het vervolg laten zien dat de invloed van reeds bestaande imago’s moeilijk onderschat kan worden. De teksten, die ten dele geschreven zijn door auteurs die niet verschillender hadden kunnen zijn, vertonen zo vaak parallellen dat men zich afvraagt hoe die anders dan door een sturende voorstelling-vóóraf verklaard zouden kunnen worden. Zo blijkt dat het oog van de auteurs steeds weer op dezelfde bijzonderheden valt. Tijdens de jaren twintig wordt bijvoorbeeld voortdurend gewezen op het drukke verkeer en de vele oorlogsinvaliden in de straten van de stad, na de Tweede Wereldoorlog zijn het bijvoorbeeld de sporen van het Derde Rijk en de kogelgaten in Oost-Berlijn die de aandacht op zich vestigen en in het Berlijn van na de politieke omwentelingen in de jaren 1989-1990 worden het weinig kosmopolitische karakter van de stad en het bouwkundige verval nogal eens gethematiseerd. Deze parallellen suggereren dat auteurs niet uitsluitend op hun eigen observaties zijn afgegaan, of anders uitgedrukt, dat zij zich in de eigen waarneming van Berlijn ook door bepaalde vaste, algemeen geldende ideeën over de stad hebben laten beïnvloeden.
Dat laatste nu maakt de 43 teksten die hier zijn gebundeld zo interessant. Ze stellen de lezer niet alleen in staat het beeld te reconstrueren dat op zeker moment van Berlijn bestaat, maar ze laten eveneens zien dat dat beeld in de bijna 140 jaar die deze bloemlezing beslaat steeds weer aan verandering onderhevig is. Vergelijkt men de teksten van auteurs die in hetzelfde decennium geschreven hebben, dan vallen speciaal ook de overeenkomsten in het oog. Beziet men daarentegen teksten die op verschillende tijdstippen ontstaan zijn, dan valt eerst en vooral op hoe verschillend de indruk is die de stad gemaakt heeft. Tegenover het cultureel zo rijke, maar toch wel erg militaristische Berlijn uit de keizertijd staat het wilde Berlijn van de jaren twintig, toen de nachten langer dan de dagen leken en het uitgaansleven legendarisch was. De jaren dertig staan in het teken van de dreiging die uitging van de nationaal-socialistische beweging en de jaren tijdens en kort na de Tweede Wereldoorlog zijn in Berlijn de jaren van de bommen, de verwoesting en het puin. Het gedeelde Berlijn in de tweede helft van de twintigste eeuw is de stad van de contrasten, het contrast tussen het oosten en het westen, maar ook het contrast tussen het heden en het verleden. Het moderne Berlijn, het ‘nieuwe’ Berlijn van na de val van de Muur en de eenwording van Duitsland is de stad van de Neuanfang, het nieuwe begin dat evenwel moeizaam verloopt omdat Berlijn er maar niet in lijkt te slagen zich van zijn verleden te bevrijden. Zo creëert iedere generatie een nieuwe versie van de stad en is Berlijn een dynamisch concept dat na verloop van tijd steeds opnieuw gedefinieerd wordt.
Het is waarschijnlijk niet overdreven te stellen dat er afgezien van belangrijke Nederlandse en Vlaamse steden als Amsterdam en Antwerpen geen andere stad zo present is in de Nederlandstalige literatuur als Berlijn. Daarvan geeft deze bloemlezing een indruk. De teksten stammen van in het totaal 38 verschillende, voor het merendeel toonaangevende Nederlandse en Vlaamse schrijvers. Zelfs wanneer men zich tot literaire auteurs beperkt, zoals dat in het bestek van dit boek gedaan is, zou het niet zwaar vallen het dubbele of zelfs driedubbele aantal schrijvers op te voeren. Er zijn literaire reportages en essays over de stad geschreven, zij vormt de coulisse waartegen de handeling van romans en toneelstukken geplaatst wordt en er werden gedichten en liedteksten aan Berlijn gewijd. Deze anthologie heeft voorbeelden uit al deze genres te bieden, terwijl daarnaast bijvoorbeeld nog dagboekfragmenten, brieven, memoires en zelfs een filmscenario zijn opgenomen.
De teksten zijn chronologisch geordend. Daarbij vormt het uitgangspunt niet het jaar van publicatie, maar de tijdsperiode die erin beschreven wordt. Wanneer het niet duidelijk is welk jaar, of welke jaren in een tekst exact centraal staan, dan is deze op basis van het jaar waarin hij verschenen is binnen de chronologie van de bloemlezing ondergebracht. De bloemlezing valt in vijf verschillende delen uiteen: (i) 1871-1918: Großstadt Berlijn; (ii) 1918-1933: Berlijn tijdens de Roaring Twenties; (iii) 1933-1945: Berlijn onder de nationaal-socialisten; (iv) 1945-1989: Het gedeelde Berlijn; en (v) 1989-2004: Hoofdstad van het herenigde Duitsland. Aan deze vijf delen gaat steeds een korte inleiding vooraf. Behalve de geschiedenis van de stad staat in deze inleidingen, als ook in de korte introducties bij iedere afzonderlijke auteur, de vraag centraal hoe Nederlandse en Vlaamse auteurs aankeken tegen Berlijn en het verschijnsel Großstadt. Het zal daarbij opvallen dat veel auteurs reflecteren over de verhouding tussen het individu dat men zelf is en de anonimiteit van de grote stad. Een ander thema waarnaar de aandacht in de inleidingen en de introducties bij de afzonderlijke teksten uitgaat, is het beeld dat van de Berlijners – en meer in het algemeen: van de Duitsers – wordt opgeroepen.
Berlijn, schreef Lodewijk van Deyssel in 1905, is gezellige stad. Ook wanneer latere auteurs dat laatste niet altijd zullen onderschrijven, delen ze met deze schrijver allen de fascinatie voor de Duitse metropool. Die fascinatie proeft men in elk van de meer dan veertig stukken in deze bloemlezing, die een hopelijk even veelzijdig als inspirerende indruk geven van de unieke stad die Berlijn is.