Joost van den Vondel, Jeptha, Koning David hersteld & Faëton

Jeptha 013
Joost van den Vondel, Jeptha; Koning David hersteld & Faëton.
Bezorgd door J.W.H. Konst. Amsterdam: Uitgeverij Bert Bakker, 2004. ISBN: 90 351 2642 1

Binnen een periode van vier jaar heeft Vondel drie tragedies uitgegeven waarin de mannelijke hoofdpersonages gedwongen worden te kiezen tussen hoge, abstracte belangen aan de ene, en het leven van hun eigen zoon of dochter aan de andere kant. In Jeptha, of offerbelofte (1659), Koning David hersteld (1660) en Faëton, of roekeloze stoutheid (1663) komen vaders ten tonele die verscheurd worden door twijfel en die zich tot het bittere einde tussen hoop en angst heen en weer geslingerd zien. Vondel ontleedt hun gevoelens tot in detail en is er zo in geslaagd treurspelen te schrijven die de lezer tot op de dag van vandaag heftig beroeren.

Het is moeilijk níet mee te leven met de oudtestamentische landvoogd Jeptha, de legendarische joodse koning David en de klassiek-mythologische zonnegod Febus / Apollo. Uiteindelijk hebben zij alledrie de dood van hun respectievelijke nakomelingen te betreuren, en dat is nog niet alles, want ze weten zich bovendien mede-schuldig aan het feit dat hun zoon of dochter niet meer leeft. Wat het voor een vader betekent zélf verantwoordelijk te zijn voor de dood van een eigen kind, en hoe het toch kan dat iemand het zover laat komen – dat zijn de vragen waarop Vondel in de drie genoemde drama’s een antwoord wil geven.

 

Voor Vondel wordt een goede tragedie speciaal ook gekenmerkt door een overtuigende uitbeelding van sterk aangezette emoties, emoties zoals die bijvoorbeeld voortvloeien uit de dilemma’s die typerend zijn voor de meeste van zijn latere treurspelen. Met tevredenheid merkt hij in het ‚Berecht‘ bij Jeptha derhalve op dat ‚de hartstochten‘ in dit drama ‚woelen, tuimelen en barnen‘. Ze staan garant voor meeslepend toneel dat het schouwburgpubliek niet alleen in zijn ban houdt, maar ook heftig zal beroeren. Want zoveel staat wel vast: de uitbeelding van de hartstochten – een begrip dat in de zeventiende eeuw als verzamelnaam voor alle menselijke gemoedsaandoeningen gebruikt wordt – is bij Vondel geen doel in zichzelf, maar beoogt de emotionele beleving van een toneelstuk bij het publiek te intensiveren. De toeschouwers moeten zogezegd mee-voelen, of zelfs mee-lijden met de tot wanhoop gedreven dramatis personae. Vondel construeert het handelingsverloop van zijn drama’s in dat verband zodanig dat het publiek uitgenodigd wordt zich te verplaatsen in de persoon van Jeptha, David en Febus. Hoe zou een vader zich voelen die zich voor een vergelijkbare keuze gesteld ziet als dit drietal? Hoe ook zouden de toeschouwers zich zélf voelen, wanneer zij gedwongen zouden worden over leven en dood van hun eigen kinderen te beslissen? / Jeptha, Koning David hersteld en Faeton, S. 273.

 

PRESSESTIMMEN

 

deltareeks.jpg

 

Drie drama’s van Vondel en allerminst de verplichte nummers. Hier werden bijeengebracht Jeptha, Koning David hersteld, Faëton. Is de eerste nog enigszins bekend, de twee andere zijn dat nauwelijks of niet. Misschien is er nu een kans voor deze poëzie die de taal in brand steekt, in deze uitgave die door J.W.H. Konst uitstekend is verzorgd. / Kees Fens in De Volkskrant, 4. Juni 2004.

 

Jeptha - pagina 2Jeptha - pagina 1

 

Jan Konst richt zich vooral op de vraag hoe volgens Vondel een goede tragedie eruit diende te zien. Hij geeft een helder overzicht van de theoretische ontwikkeling die Vondel doormaakte en weeft zijn bespreking van de drie stukken daar zorgvuldig in. / Agnes Sneller in Nederlandse Letterkunde, Vol. 10 (2005-1).