ä
Een beknopte geschiedenis van Berlijn
h
h
1871-1918: Großstadt Berlijn
Voor veel Nederlandse en Vlaamse auteurs stond Berlijn in de decennia rond 1900 voor een wonderbaarlijke vermenging van historische en moderne elementen. Aan de ene kant – dat blijkt bijvoorbeeld uit het reisbericht van Jan ten Brink – ademde de stad het roemruchte verleden van het koninkrijk Pruisen, waarvan Berlijn tot 1871 de hoofdstad geweest was. Een kleine tien jaar na de oprichting van het Duitse keizerrijk, is Johan Gram, een tegenwoordig in vergetelheid geraakte roman- en reisauteur, van mening dat de Pruisische traditie nog altijd domineert. In de bundel In Berlijn (1880), waarin een vijftiental reisschetsen van zijn hand verzameld is, legt hij bijvoorbeeld uit waarom Berlijn naar zijn overtuiging een wereldstad van de vorige dag is: ‘Aan het drukke verkeer, de monumentale gebouwen en schone paleizen beseft men onmiddellijk dat Berlijn een wereldstad is, maar – een wereldstad van de vorige dag. Evenals een parvenu zich nimmer geheel verloochenen kan, zo komt de oude aard ook bij Berlijn om de hoek kijken en bespeurt men, dat het nog niet zo lang geleden eenvoudig de hoofdstad van het koninkrijk Pruisen was.’
Ook het vaak gememoreerde Pruisische militarisme is in principe zo’n relict uit het verleden. Meestal oordelen auteurs uit Nederland en Vlaanderen daar met de nodige terughoudendheid over, maar soms ook is er sprake van een zekere bewondering. In ieder geval is dat zo in de jeugdherinneringen van de dichter-criticus Albert Perdeck, die een groot deel van zijn jeugd in Berlijn doorbracht. In Wie verder gaat wordt dood geschoten (1968) beschrijft hij terugblikkend op het Berlijn uit de jaren rond 1900: ‘Het is mij ook nu nog steeds of dat keizerlijke Berlijn, dat Berlijn van het “fin-de-siècle”, voortdurend vervuld was van militaire muziek, parades, vlaggen en vaandels. Die marsmuziek – dat “klingendes Spiel”! Die lange stoeten kleurrijk uitgedoste soldaten – kon een jongen, ook een Hollandse jongen, er ooit genoeg van krijgen?’ Maar dat men ook anders kon denken over het militaire vertoon in de hoofdstad van het Duitse rijk blijkt bijvoorbeeld uit de brieven van August Vermeylen, die van mening is dat het militarisme, net als overigens de spreekwoordelijke Duitse bureaucratie, de stad in een wurggreep houdt en dreigt te verstikken.
Aan de andere kant wordt Berlijn in de ogen van de meeste Nederlandse en Vlaamse bezoekers door een onmiskenbare vooruitstrevendheid getypeerd. De stad – een nieuwe stad zegt Lodewijk van Deyssel niet voor niets – staat voor het moderne Großstadt-leven en men wordt er met technische verworvenheden geconfronteerd waar ook de grote steden in Nederland en Vlaanderen nog lang niet aan toe zijn. In zijn zoëven al aangehaalde jeugdherinneringen spreekt Albert Perdeck bijvoorbeeld in lovende termen over het openbare vervoer, dat aan het begin van de twintigste eeuw in Berlijn zo veel verder ontwikkeld was dan in Amsterdam: ‘Wat viel er niet verder allemaal te beleven op die vrij brede, lelijke verkeerswegen. Het verschilde zo van het vertrouwde Amsterdam; het was alles zo veel moderner, Amsterdam leek er een dorp bij, wàs het ook eigenlijk in die jaren vlak na de eeuwwisseling, toen daar voor het eerst een elektrische tram begon te rijden, hoofdschuddend nagekeken en bespot door de ouderen. Terwijl Berlijn reeds in 1902 op zijn Hoch- und Untergrundbahn van Siemens en Halske kon bogen, een wonder van technisch kunnen.’
Tijdens de decennia rond de eeuwwende van 1900 werd er in Berlijn gebouwd, gebouwd en nog eens gebouwd. Grote volkswijken zoals Prenzlauer Berg, Friedrichshain of Kreuzberg, waar honderdduizenden mensen onderdak vonden, waren het resultaat van al deze bouwactiviteiten. Hét symbool van de metropool Berlijn wordt de huurkazerne, een woonhuis met standaard vier verdiepingen, een centrale binnenplaats, een achterhuis en zijvleugels. In deze enorme panden, die soms zelfs nog een tweede of een derde naar achteren gelegen binnenplaats hadden, waren tientallen etagewoningen ondergebracht. Naast de huurkazernes waren er andere gebouwen die het moderne stadsleven symboliseerden, zoals de schouwburgen en de theaters. Een flink aantal daarvan was in de tweede helfde van de negentiende eeuw ontstaan en Berlijn heeft onder andere aan deze instellingen de reputatie te danken dat men er op cultureel gebied ook internationaal gezien extreem veel kon beleven. Ook de warenhuizen, die alle na 1890 ontstaan zijn en die bij het publiek enorm geliefd waren, verzinnebeelden, zo zou men kunnen stellen, de jonge Berlijnse Großstadt.
Nederlandse en Vlaamse auteurs zijn alle in gelijke mate onder de indruk van de omvang van Berlijn en zij zijn geboeid door de bedrijvigheid die ze er vaststellen. Maar tegelijkertijd tonen zij zich geschokt over de negatieve kanten van het stadsleven. Sommigen worstelen met gevoelens van eenzaamheid en voelen zich in de anonieme mensenmassa’s verloren. Nogal wat mensen verbazen zich over het schaamteloze optreden van prostituees in de straten van Berlijn, dat laat zien dat er onder het vernis van de burgerlijke beschaving een zedelijk verval op de loer ligt dat velen klaarblijkelijk angst inboezemt. Bovendien zijn er regelmatig stemmen die wijzen op sociale problemen als armoede, alcoholisme en dakloosheid. Maar over het algemeen kan men zeggen dat het optimistische levensgevoel dat ‘booming’ Berlijn in de jaren na 1871 tot aan het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog in 1914 uitstraalde, op veel bezoekers uit Nederland en Vlaanderen is overgegaan. Misschien is in dit verband de karakterisering van het Berlijn uit de keizertijd die de schrijfster Top Naeff in haar memoires geeft nog niet zo slecht getroffen. Als jonge vrouw was zij hospitante aan de toneelschool van Max Reinhardt en in Zo was het ongeveer (1950) schrijft ze over de stad waar zij terechtgekomen was: ‘Het was het keizerlijke Berlijn, “strotzend” van leven, machtig, protsig en pervers.’
v
1919-1933: Berlijn tijdens de Roaring Twenties
Tijdens de jaren twintig van de vorige eeuw was Berlijn in de ogen van velen de culturele hoofdstad van Europa. Kunstenaars en schrijvers uit alle windstreken en afkomstig uit een groot aantal verschillende landen trokken naar de stad en in de straten gonsde het zogezegd van de creativiteit en de scheppingsdrang. De auteur Gerard van Duyn, maker van een door Berlijn geïnspireerde bundel prozagedichten met de titel De verlaten stad (1924), karakteriseert de bijzondere atmosfeer in de Duitse hoofdstad in een artikel in het tijdschrift Den gulden winckel uit juli 1924 als volgt: ‘[de] geest [van Berlijn] zal waaien over geheel Europa, en het werk van de romanschrijver, zowel als van de dichter, zal in de allereerste plaats worden het product van de Großstadt-inwoner. […] De artiest in het café, in het cabaret, in het bordeel, het is de plaats waar hij zijn “stof” ter verwerking moet opdoen. Het is de plaats waar hij thuishoort.’
Bij Van Duyn is de Großstadt tot hét domein van de literatuur geworden, niet alleen omdat schrijvers er hun domicilie gezocht hebben, maar ook omdat zij zich door het stadsleven laten inspireren – of zouden moeten laten inspireren. Dat laatste heeft tijdens het decenium dat op de Eerste Wereldoorlog volgde in ieder geval een aantal auteurs uit Nederland en Vlaanderen gedaan die allen om verschillende redenen enige tijd in Berlijn doorgebracht hebben. Zodoende spelen de locaties uit het zojuist aangehaalde citaat een sleutelrol in drie van de vier romanfragmenten in het navolgende deel van deze bloemlezing. In De razende saxofoon neemt Simon Koster de lezer bijvoorbeeld mee naar het café, in dit geval het bij kunstenaars en intellectuelen geliefde Romanische Café aan de Kurfürstendamm. Willy Corsari’s roman Nummers speelt in zijn geheel in het milieu van het cabaret en brengt een hele reeks van al dan niet geslaagde danseressen en revue-artiesten voor het voetlicht. Prostitutie ten slotte is voor Coen Hissink in Cocaïne een vanzelfsprekend onderwerp van bespiegeling en de nachtclub ontwikkelt zich in zijn boek tot een belangrijke plaats van handeling.
Mede op grond van de verschillende, hiervoor genoemde categorieën van etablissementen was Berlijn tijdens de jaren twintig bij uitstek ook de stad van het uitgaansleven. Spreekwoordelijk waren de jazzmuziek en de charleston, de dans die uit de Verenigde Staten was komen overwaaien en die als weinig anders het liberale, om niet te zeggen decadente Berlijnse levensgevoel belichaamde. Er zijn nogal wat getuigenissen van auteurs die beschrijven hoe zij zich te Berlijn in het nachtleven gestort hebben. Daarbij kon het bijvoorbeeld gebeuren dat zij uit het oog verloren waarvoor ze eigenlijk naar de stad gekomen waren. Zo moet de jonge Menno ter Braak in 1927 in een brief aan een Amsterdamse vriend bekennen dat hij er tot op dat moment nog niet toe gekomen is om in de universiteitbibliotheek aan zijn dissertatie te werken: ‘Het is om je soms dood te lachen: gisteren charlestonde ik hier, alleen, met vijf vrouwen van de meest verschillende leeftijden (waaronder bliksems aardige, echter nog met het consigne: afblijven!). De bibliotheek heb ik, zoals je je kunt denken, zelfs nog niet van buiten gezien. Ik denk er woensdag “eens te gaan kijken”.’
Toch is het beeld dat opdoemt uit de Nederlandse Berlijnteksten die tijdens de Roaring Twenties ontstaan zijn lang niet altijd even positief. Regelmatig wordt er nu juist níet op het nachtelijke vermaak gewezen, maar ziet de lezer de stad geassocieerd met gevaar en verval. Ergens in de zo-even al opgevoerde roman Cocaïne van Koen Hissink staat bijvoorbeeld een fraaie beschrijving van een tocht per trein naar Berlijn. Er is sprake van een symbolisch uitgewerkte reis van het land naar de stad, van ‘bos en groene open plekken’ naar een afwijzende en donkere urbane omgeving die zich als een letterlijk onafzienbare etterbuil over de aarde uitstrekt: ‘Eerst stoof de trein nog door een stuk natuur, wat bos en open groene plekken, maar dan grauwde een fabriek met hoge schoorsteen en lage groezelige gebouwtjes er om heen – als een zweer in de natuur, een langzaam maar zich zeker uitbreidende zweer: de ‘Großstadt’, … en dáár donkerden de eerste hoge gebouwen al, als dreigende voorposten van de gruwb’re stads-massa.’ Ook bij Menno ter Braak, die zich zo ontvankelijk voor de verlokkingen van het uitgaansleven toonde, valt regelmatig de nodige reserve tegenover Berlijn te beluisteren. Zo schrijft hij in een artikel voor de De groene Amsterdammer van 19 maart 1927:
Deze stad heeft (voor zover zij niet danst) met problemen te vechten als misschien geen andere; voortdurend moet zij strijdbaar zijn om niet onder te gaan aan de contrasten, die haar tegenwoordig leven uitmaken. Het leven in teken der zelfhandhaving: dat is het Berlijn van 1927, een gejaagde, onpoëtische metropool, die alleen de zeer oppervlakkige zand in de ogen strooit door haar verblindend nachtelijk amusement. Niets is hier vanzelfsprekend, alles is problematisch: de staatsorde, de veiligheid, de moraliteit.
Berlijn kan in de optiek van Ter Braak dus een ronduit vijandige indruk maken en ‘zelfhandhaving’ is voor een groot deel van de bevolking een hoogst problematische aangelegenheid. Dit duidelijk negatievere beeld van Berlijn is karakteristiek voor onder meer de teksten van de diplomaat-auteur J. van Oudshoorn en de schrijfster en communiste Henriette Roland Holst. Het reisbericht van laatstgenoemde en de impressie van de Tauentzienstrasse door de eerste ontstonden beide aan het begin van de jaren twintig, toen Duitsland worstelde met een extreme geldontwaarding. Het Berlijn van Van Oudshoorn en Roland Holst wordt op die manier bevolkt door bedelaars, oorlogsinvaliden en straatverkopers. In de strijd om het naakte bestaan krijgen zij van de Wilde Zwanziger, die zo lang tot de verbeelding gesproken hebben, uiteraard bitter weinig mee.
En er is een tweede categorie van getuigenissen waarin het voor de tijd tussen de Eerste Wereldoorlog en de machtsovername van Adolf Hitler traditionele beeld van het vrijgevochten en feestende Berlijn ver te zoeken is. Het gaat om teksten waarin de politieke instabiliteit in het middelpunt van de belangstelling staat. Het is zeker geen toeval dat deze teksten stammen uit de jaren direct volgend op de Vrede van Versailles (28 juni 1919), dan wel uit de jaren die voorafgingen aan de consolidatie van de nationaal-socialistische staat in de eerste helft van 1933. Het gaat in beide gevallen om jaren van grote politieke tegenstellingen en maatschappelijke onrust, die zich juist ook in de Duitse Reichshauptstadt manifesteerden. Zo schetst Paul van Ostaijen in het filmscenario De Bankroet-Jazz uit 1921 een Berlijn waar het politieke establishment het uiteindelijk moet afleggen tegen de onbeheersbare krachten van revolutionaire massabewegingen. En de dagboeknotities van Jacques Gans laten op hun beurt zien hoe er na de beurskrach van 1929 een abrupt einde aan de Roaring Twenties kwam. Hij beschrijft onder meer hoe radicale politieke groeperingen in de straten van Berlijn steeds openlijker de confrontatie gingen zoeken.
l
1933-1945: Berlijn onder de nationaal-socialisten
Nadat Adolf Hitler in januari 1933 tot Reichskanzler benoemd was, verlieten veel internationale auteurs die op dat moment in Berlijn verbleven de stad. Dat gold bijvoorbeeld ook voor de Nederlanders Jacques Gans, Simon Koster en J. van Oudshoorn, van wier hand werk in het voorafgegane deel van deze bloemlezing is opgenomen. Na de machtsovername van Hitler wordt Berlijn in de Nederlandstalige literatuur nog maar onder één perspectief bezien: het is de stad geworden die het nationaal-socialisme en zijn misdaden tegen grote delen van de Duitse bevolking belichaamt. Nederlandse en Vlaamse auteurs reizen na 1933 nog maar zelden naar de hoofdstad van het door Hitler verkondigde Derde Rijk. Dat heeft uiteraard consequenties voor de Nederlandstalige Berlijnteksten, die over het algemeen niet meer op eigen, althans niet meer op recente observaties berusten. Op veilige afstand zijn het meestal actuele politieke ontwikkelingen die het uitgangspunt voor literatuur over de stad vormen. Zo wijdt Anthonie Donker een gedicht aan de brand in het Duitse parlament in 1933 en Ed. Hoornik tekent voor een sonnet naar aanleiding van de Reichskristallnacht in 1938. Simon Vestdijk plaatst op zijn beurt de liefdesgeschiedenis in de roman Else Böhler tegen de achtergrond van de machtsstrijd tussen Hitler en Ernst Röhm, de leider van de Sturmabteilung (sa), tijdens de eerste helft van 1934.
Gedurende de oorlogsjaren was het voor buitenlanders uiteraard niet meer mogelijk Berlijn te bezoeken, maar er was in zekere zin sprake van één ‘uitzondering’. Een grote groep van Nederlandse en Vlaamse dwangarbeiders verbleef in de jaren tussen 1940 en 1945 onvrijwillig gedurende langere of kortere tijd in de stad. Ze waren bij allerlei bedrijven en instellingen tewerkgesteld. Onder hen waren ook auteurs en sommigen daarvan hebben hun ervaringen achteraf op papier gesteld. Zo liet Ad den Besten zich in 1946 tot een aantal gedichten inspireren die teruggaan op zijn tijd bij een aeg-fabriek in een oostelijke buitenwijk van Berlijn in 1943 en 1944, en nog in 1994 blikte de dichter-diplomaat Maarten Mourik in zijn Brandenburgs Requiem terug op de geallieerde bombardementen op de stad waarvan hij als dwangarbeider getuige geweest was. Hij was niet in een concentratiekamp geïnterneerd en genoot daardoor een zekere bewegingsvrijheid. Zelfs in het voorlaatste jaar van de oorlog, zo leest men op zeker moment in zijn persoonlijke herinneringen, was het voor Mourik nog mogelijk de uitwerking van de bommen op de stad en haar bevolking met eigen ogen in aanschouw te nemen:
We leefden in een absurde wereld. Zo zat ik op een middag, nadat de Amerikanen ’s ochtends voor de derde dag achter elkaar een massale aanval op Berlijn hadden uitgevoerd, op vijftig meter hoogte in het restaurant van de nog steeds bestaande ‘Funkturm’ in het westen van de stad, achter ‘Kaffee und Kuchen’ (ik had een broodbon gekregen) te kijken naar de nog hoog oplaaiende branden in Neukölln en Tempelhof. Als een toerist die een boeiend panorama zit te bewonderen.
Het Berlijn van Mourik is een stad vol oorlogsgeweld en gruweltaferelen, een stad ook die door grootschalige verwoestingen en talloos veel ruïnes gedomineerd wordt. Dit beeld van een kapotte stad, een stad waarvan grote delen letterlijk weggebombardeerd zijn, zal de literatuur over Berlijn lange tijd beheersen. Een indruk van de uiteindelijke uitwerking van de Amerikaanse en Engelse bommentapijten geeft Jaap Harten in zijn roman De getatoeëerde Lorelei, waarin de situatie in de stad aan de Spree enkele dagen vóór de capitulatie op plastische wijze beschreven wordt.
ö
1945-1989: Het gedeelde Berlijn
Tijdens de jaren vijftig van de vorige eeuw bezoeken maar weinig auteurs uit Nederland en Vlaanderen Berlijn – ongetwijfeld omdat de wonden die de oorlog geslagen had nog te vers waren. De weinige schrijvers evenwel die de stad vóór 1960 bezoeken, richten de blik eerst en vooral op de verwoestingen die de Engels-Amerikaanse bombardementen en het Russische artillerievuur hadden aangericht. Die verwoestingen bleven nog lang zichtbaar, op sommige plaatsen in Oost-Berlijn zelfs tot in de jaren negentig. Na 1945 waren er enorme inspanningen en immense geldbedragen nodig om de ooit zo majestueuze stad weer bewoonbaar te maken. Na de bouw van de Berlijnse Muur in 1961 neemt het aantal auteurs dat de lange reis naar Berlijn maakt langzaam maar zeker weer toe. Maar anders dan bijvoorbeeld tijdens de twintiger jaren is er geen sprake meer van ‘zomaar’ een bezoek aan een Großstadt, van de waardevrije bezichtiging van een cultuurmetropool zoals er in Europa wel meer te vinden zijn. Het recente oorlogsverleden en de actuele politieke ontwikkelingen maken dat Berlijn jarenlang door vrijwel alle schrijvers uit Nederland en Vlaanderen in een dubbel licht geplaatst wordt. Aan de ene kant identificeert men de stad steeds weer met de nazi-heerschappij en aan de andere kant wordt Berlijn keer op keer voorgesteld als de plaats waar de elkaar beconcurrerende ideologische systemen van het westerse kapitalisme en het communisme van het Oostblok op elkaar botsen.
Het is niet eenvoudig Berlijnteksten uit de jaren tussen 1945 en 1989 te vinden waarin het Derde Rijk en de Tweede Wereldoorlog onvermeld blijven. Heel gericht bezoekt bijvoorbeeld de hoofdpersoon van Lizzy Sara May’s roman Het dubbelspoor aan het begin van de jaren zestig de kort daarvoor ingewijde anti-oorlogsmonumenten in zowel West- als Oost-Berlijn. In het verhaal ‘Monumentenzorg’ van Jules Deelder staat ook aan het begin van de jaren tachtig nog alles in het teken van het nazi-verleden van de stad. Een moment lang denkt de auteur in de Kantstrasse zelfs nog banieren met hakenkruisen te zien hangen en het is voor hem alsof Hitlers Reichskanzlei en het Sportpalast, waar Joseph Goebbels talloze propagandabijeenkomsten voor de nsdap georganiseerd had, nog altijd bestaan. Armando ten slotte gaat in Uit Berlijn steevast op zoek naar de plaatsen die de stille getuigen van de nazi-misdaden zijn geweest en hij beschouwt zijn verblijf in de Duitse stad in de kern van de zaak als een vorm van – naar hij zélf zegt – Feindbeobachtung.
De Muur ontwikkelt zich na 1961 uiteraard tot hét symbool van het naoorlogse Berlijn. Van meet af aan proberen schrijvers woorden te vinden om het bouwwerk te beschrijven dat het westelijke en oostelijke deel van de stad op een zo onnatuurlijke en wrede wijze van elkaar scheidt. Wanneer Cees Nooteboom in 1963 Berlijn voor de eerste maal bezoekt, ziet hij in de Muur een anachronisme. In de klassieke oudheid, desnoods nog tijdens de middeleeuwen zijn verhalen geloofwaardig over een muur die voor iedereen een niet te slechten hindernis blijkt te zijn. Maar in de twintigste eeuw zou zoiets welbeschouwd toch ondenkbaar moeten zijn: ‘Sta maar bij die muur, en knijp je ogen half dicht, een gehannes van middeleeuwse lansknechten die halt roepen en je tegenhouden, een brug of een paal omhooglaten, en je bent in het Land van de Anderen. Hij die miljoenen kilometers in een paar dagen kan afleggen, planeten in eigen huis opzoekt en atomen splitst kan nu al een muur bouwen van een meter of twee, drie, en daar dan niet meer overheen, zoals een Egyptenaar of een Babyloniër er niet overheen gekund zou hebben, zoals een middeleeuwer zijn wapens bij de poort had moeten afgeven, zoals een Athener in de Spree verdrinkt, zoals een Europeaan van West- naar Oost-Berlijn trekt.’
Het aantal verschillende formuleringen dat schrijvers op de Muur toegepast hebben is legio. Ergens in De toekomst van gisteren, waaruit in het komende deel van deze bloemlezing een fragment over het Zeughaus is opgenomen, beschrijft Harry Mulisch hem bijvoorbeeld als de grafzerk van Hitler: ‘Duitsland heeft de oorlog verloren; boven Hitlers graf in Berlijn staat nu de Muur: zijn monument.’ Gerard Reve vergelijkt in zijn ‘Brief uit Berlijn’ de reis van Oost- naar West-Berlijn met een tochtje van de Amsterdamse Spuistraat naar de Admiraal de Ruiterweg. In het gedicht ‘Berlijn’ stelt Jaap Harten de Muur op één lijn met de ruggegraat van een fossiele mens, Frans Kellendonk beschouwt hem in zijn reportage ‘Langs de Muur’ als wildvlees, een litteken, ja zelfs als landschapskunst en Willem Jan Otten hanteert in zijn ‘Berlijnse Kroniek’ de metaforen van het boek en een ‘verticale zee’ voor de Muur. Veel van deze en andere beelden hebben een ronduit paradoxaal karakter en dat onderstreept nog eens hoe zwaar het kennelijk valt woorden te vinden voor een bouwwerk dat op de keper beschouwd onmenselijk was.
Op een enkele uitzondering na hebben auteurs uit Nederland en Vlaanderen in de jaren tussen het einde van de Tweede Wereldoorlog en de val van de Muur in 1989 overnachtingsmogelijkheden gezocht in het westelijke deel van Berlijn. Maar velen maken tenminste één keer een dagtocht naar Oost-Berlijn. Iemand die in dát deel van de stad, afgezien van bijvoorbeeld de dichter Lucebert tijdens de jaren vijftig, langere tijd gewoond heeft, is de diplomaat en romanauteur F. Springer. Over zijn ervaringen als Nederlandse ambassadeur in Oost-Duitsland tussen 1985 en 1989 schreef hij het stuk ‘Honeckers paradijs’. De oordelen over de Hauptstadt der ddr zijn in de Nederlandstalige Berlijnliteratuur lang niet altijd even mals. Zo gaat Gerard Reve met uitgesproken negatieve voorstellingen op pad. Hij hoopt dat ‘alles zich veel betrekkelijker en veel minder ernstig zal laten aanzien’ als hij verwacht, maar al snel moet hij voor zichzelf vaststellen dat zijn clichés over het oostelijke Berlijn alle door de werkelijkheid bevestigd worden. Opvallend direct is ook Jules Deelder: ‘Oost-Berlijn is een ramp. Wie anders zegt is gek of geestelijk gestoord.’ Er is één tekst waarin de voorkeur niet als vanzelfsprekend uitgaat naar West-Berlijn, en dat is de uit 1984 daterende popsong ‘Over de Muur’ van Het Klein Orkest. Binnen het korte bestek van een paar strofen geeft de schepper van dit lied, Harrie Jekkers, een opmerkelijk genuanceerd beeld van beide helften van de stad, die in zijn voorstelling elk hun voors en tegens hebben.
ö
1989-2004: Hoofdstad van het herenigde Duitsland
In november 1989 viel de Berlijnse Muur. De politieke ontwikkelingen kwamen hierop in een ware stroomversnelling terecht en de zogenaamde Wende kreeg haar uiteindelijke bekroning in de Duitse eenwording op 3 oktober 1990. Berlijn werd weer wat het vóór de Tweede Wereldoorlog ook geweest was: de hoofdstad van één ongedeeld Duitsland. Ondanks het stormachtige heden blijft Berlijn tijdens de negentiger jaren van de vorige eeuw voor veel auteurs uit Nederland en Vlaanderen vooral ook de stad van het verleden – het verleden van het koninkrijk Pruisen, het Duitse keizerrijk, nazi-Duitsland én het verleden van een land dat meer dan veertig jaar in een westelijk en een oostelijk deel gescheiden was. Zo gaat de aandacht van A.F.Th. van der Heijden in het autobiogafische boek Asbestemming niet alleen uit naar de resten van de Muur, maar bijvoorbeeld ook naar de kogelgaten uit de Tweede Wereldoorlog, die in 1993, toen hij in Berlijn verbleef, op veel plaatsen in het oostelijke deel van de stad nog te zien waren. In de Berlijngedichten van Hans Tentije wordt bij herhaling een contrast geformuleerd tussen de hedendaagse stad en het Berlijn zoals dat er in bijvoorbeeld de jaren twintig of tijdens de oorlogsjaren uitgezien had. En in zijn ‘zomerdagboek’ Inspiration point roept Oscar van den Boogaard op zijn fietstochten door de stad niet alleen de Oostberlijnse arbeidersopstand van juni 1953 in herinnering, maar bijvoorbeeld ook de Russische blokkade aan het einde van de jaren veertig en de zogenaamde Berliner Luftbrücke.
Iemand die op pregnante wijze onder woorden heeft gebracht hoezeer Berlijn in de ogen van velen ook nog rond het jaar 2000 door het verleden gedomineerd wordt, is Nelleke Noordervliet geweest. Zij deed dat in haar ‘Berlijns dagboek’ dat ontstaan is tijdens een verblijf van ongeveer twee maanden in de stad in het najaar van 2003. Ook ten tijde van de zogenaamde Berliner Republik, zo betoogt Noordervliet, is de geschiedenis in de Duitse hoofdstad alomtegenwoordig: ‘Het centrum dat de koningen / keizers van Pruisen creëerden had allure maar een zekere ongenaakbaarheid en was hier en daar protserig. De nazi’s gooiden daar hun megalomane architectuur tegenaan, waarna de communistische grootheidswaan de Stalinallee (die ik eigenlijk helemaal niet lelijk vind) als etalage van superieure bouwkunst neerzette en de drukke Alexanderplatz totaal verpestte. Berlijn is een samenraapsel van resten machtsdromen. De hernieuwde Rijksdag met de glazen koepel is een herinnering daaraan, maar tevens een waarschuwing dat macht vergankelijk en broos is.’ Berlijn dus als een samenraapsel van resten machtsdromen, maar dat het tegelijkertijd een stad is waar in de actualiteit van het heden veel gaande is, ontging bezoekende auteurs uit Nederland en Vlaanderen natuurlijk evenmin.
Tijdens de jaren negentig van de vorige eeuw werden er in Berlijn enorme bedragen geïnvesteerd, er werd volop gebouwd en de bondsregering waagde de overstap vanuit het verre Bonn naar de stad van waaruit ook in het verleden Duitsland bestuurd was. Op cultureel gebied bleek er eveneens veel mogelijk en een van de absolute hoogtepunten was de verhulling van de Reichstag door het kunstenaarsechtpaar Christo en Jeanne-Claude tijdens de zomer van 1995. Nadat ze meer dan twintig jaar voor dit project gelobbyd hadden, verleende de Duitse regering hun eindelijk toestemming, kort voordat het gebouw door de internationaal vermaarde architect Sir Norman Foster gerestaureerd zou worden. ‘Alles woelt van verandering,’ schreef Adriaan van Dis in het opstel ‘Een estheet in Berlijn’ en het is duidelijk dat voor hem het verleden in de stad niet langer de toon aangeeft. Hij concludeert zelfs dat de vernieuwingsdrang die hij in de stad vaststelt, maakt dat Berlijn ‘midden in de toekomst’ ligt. Met Van Dis zijn er meer auteurs die gefascineerd zijn door alles wat er in de stad in beweging is. De keerzijde van de medaille is evenwel dat anderen de vrees uitspreken dat Berlijn aan authenticiteit zou kunnen verliezen wanneer straks iedere Altbau gerestaureerd is en er overal in de stad min of meer gestandaardiseerde nieuwbouw verrijst.
‘Afgebladderde gevels, stukken braakland midden in de stad en vervuilde metrostations’ – dat is bijvoorbeeld het beeld dat Kristien Hemmerechts in het essay ‘De kleur van opgekalefaterd vuil’ van Berlijn oproept. Het is een beeld dat zij niet alleen positief beoordeelt, maar dat in haar ogen ook karakteristiek is voor de Duitse hoofdstad. Ze zou het graag behouden zien, maar verwacht dat de grote investoren dankzij veel geld en politieke invloed hun greep op Berlijn meer en meer zullen versterken. Een vergelijkbaar geluid valt te beluisteren bij Cox Habema, die in haar autobiografie Mijn koffer in Berlijn (2002) opmerkt:
Vooral ben ik bang dat deze stad ‘die nooit af was en steeds werd’, op een dag klaar zal zijn. Alle heipalen en kranen de Oost-Duitse provincie in, alle commissies, gremia, prijsvragen en andere quasi-democratische afleidingsbewegingen opgeheven. Af. Klaar. Volgeplempt. Met kantoren, winkels, restaurants. In ieder bouwgat een hotel voor oprukkende toeristen. Alle kogelgaten dichtgeplakt of netjes gerestaureerd met een spotje erop. Massa’s bussen in de rij voor het laatste teruggeplaatste stukje muur.
Een andere kwestie die in veel Nederlandstalige Berlijnteksten van na 1989 aan de orde wordt gesteld is de vraag – het ligt in feite voor de hand – welke consequenties het proces van de Duitse eenwording speciaal ook voor de stad Berlijn gehad heeft. Velen verbazen zich erover dat men als buitenstaander van de verschillen tussen het voormalige Oost- en West-Berlijn betrekkelijk weinig meekrijgt. Zo stelt Geert Mak in zijn reisboek In Europa (2004) onder andere: ‘Wat is er nog van de scheiding in de stad overgebleven? Aan de Bernauer Strasse zijn de laatste resten van de Muur gepromoveerd tot monument. Kenners horen de taalverschillen tussen Oost- en West-Berlijns: veertig jaar is blijkbaar genoeg om een eigen accent te ontwikkelen. De laatste Goldene Hausnummern – het ddr-insigne voor brave huurders – worden van de verveloze deuren geschroefd.’ Ook de mentaliteitsverschillen tussen de bewoners van de beide helften van de stad vormen een regelmatig terugkerend onderwerp van bespiegeling. Hemmerechts bijvoorbeeld zinspeelt met het beeld van de ‘trage Ossi’ en de ‘arrogante Wessi’ op clichés die in allerlei varianten steeds opnieuw onder woorden gebracht worden. En ten slotte vraagt men zich natuurlijk af wáár precies de Muur gestaan heeft en op welke wijze Berlijn geprobeerd heeft de herinnering aan dit ongeliefde bouwwerk levend te houden. Het antwoord dat Van der Heijden op deze vragen formuleert is intrigerend. In zijn ogen is Berlijn panmuristisch geworden en gezien de aandacht die niet alleen auteurs uit Nederland en Vlaanderen nog steeds voor de Muur aan de dag leggen, is die kwalificatie waarschijnlijk zo gek nog niet.
Ä
Ä
Ä
Ä
Ä